Zoeteke

Inspiratie: het Woord van de Week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen.

 

Eendrachtig hebben zijn broers en hij het huis leeg gehaald en de meeste spullen verdeeld.
Vandaag loopt hij door het lege huis, stofzuigt, en haalt, weer beneden, vast de laden uit de massief eiken kast die de Kringloopmensen zo komen halen.
Een van de laden hapert, hij wrikt tot de la los komt, zet hem naast de andere tegen de muur.
Gaat met zijn arm in de kast, wat hield die la tegen?
Zijn vingers voelen langs de ruwe achterkant, pakken wat daar klem zat.
Verbaasd bekijkt hij het bestofte oude poesiealbum in zijn handen.

 

Leunend tegen de vensterbank bladert hij door versjes uit de jaren veertig.
Plaatjes van kleurige boeketjes dwarrelen op de grond.
Halverwege het album zwijgen de vriendinnetjes en familieleden.
Gedachteloos bladert hij door, ontdekt op de laatste bladzijde nog een paar regels in vage potloodhalen.
Met moeite ontcijfert hij de hanenpoten: iets over eeuwige liefde.
En daaronder: ‘maar nooit meer …’ Een lang onleesbaar woord.
De laatste woorden en het onhandige hartje spatten in dik aangezette potloodlijnen van het broze vergeelde albumblad: ‘mijn lieveke, mijn Zoeteke, voor altijd de mijne, je Kees.’

 

Voor de deur stopt een kleine vrachtwagen.
De bel galmt door het lege huis.

 

Zijn vader heette Henk.
 
16-3-2023

Treden

Ik loop de gang in om boven wat te pakken.
Stop onderaan de trap.
Wat ook weer?
Zuchtend zijg ik neer op de vierde tree.
Staar naar mijn voeten op de onderste tree.
Peins.
Koud is het hier.
En stil.
Niemand roetsjt half aangekleed naar beneden, gehaast want verslapen.
Niemand neemt de trap met drie treden tegelijk om een vergeten leerboek te pakken.
Niemand roept van boven: waar ligt …?
Niemand zit halverwege de trap, baken en obstakel, verdiept in ‘In de ban van de ring.’
Toch, ik hoor ze, voel ze, groet ze.
Zit nog even.

 

Tot ik me herinner wat ik boven moet halen: een schroevendraaier.

 

 

9-2-2023

Kruis

Ze ploft neer: ‘Hèhè, effe alleen ik.’
De wallen en voren in haar gezicht ogen dieper dan ik me herinner.

 

Boven onze cappuccino’s loopt ze af: ‘Weet je, ik vind het niet erg, die medische molen, dat ik hem bij alles moet helpen, dat ik zijn geheugen en zijn agenda ben geworden. Hem steeds afleiden als hij naar zijn moeder wil die al lang dood is. Het hoort erbij, in voor- en tegenspoed weet je wel.’

 

Ze zucht: ‘Soms zoende hij me even stiekem tussendoor, hier, achter mijn oor, dan fluisterde hij: wij samen hè? Dat mis ik zo.’

 

 

23-1-2023
Inspiratie voor dit fictieverhaal: het Woord van de Week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen: Kruis

Anastasia – Spinsel 2

Ik ben hier al dagen maar pas toen ze vandaag het keukengordijn opentrok, zag ze me, waarschijnlijk omdat de vroege ochtendzon de fijne dauwdruppeltjes op mijn rag deed glinsteren.
Voor het eerst gezien worden is spannend, dan staan mijn leven en mijn levenswerk op het spel.
Daarom stond ik voor de zekerheid in de startblokken want vindt ze me eng of vies, dan vermorzelt ze me meteen.
Je hebt nou eenmaal van die angsthazen, raar wel want er is immers geen diersoort zo vies en eng als zijzelf?

 

Maar gelukkig, dit exemplaar liep niet zo hard van stapel, ze glimlachte zelfs en maakte foto’s van mij in mijn web.
Toen ze weg was, ging ik weer aan de slag want dat is mijn leven: een perpetuum mobile: ik bouw mijn web, vang mijn voedsel, eet het op, vroeg of laat wordt mijn web vernietigd en dan begin ik weer opnieuw.
Een prachtexemplaar wordt dit, al zeg ik het zelf, links stevig verankerd aan het raamkozijn en rechts verknoopt met de clematis.

 

Ik ben hier graag, het is uit de wind, vogels komen niet zo dicht bij het huis, ik geniet van de ochtendzon en er is voldoende eten.
En zij, ze laat me met rust, een tijd lang tenminste.
Tegen de tijd dat ik haar zie fronsen, weet ik hoe laat het is, laat ik mijn web achter en maak dat ik wegkom.

 

Maar dat is van later zorg, vooralsnog heeft ze geen idee hoeveel gemak ze van me heeft, hoeveel vliegen en muggen ik al weggehouden heb van haar keukendeur.
Soms staat ze zo maar een tijd te kijken naar me.
Daar word ik een beetje verlegen van maar ik denk dat ze het goed bedoelt, ze kijkt alsof ze tegen me praat of verhalen verzint.

 

Ha, het herfstzonnetje breekt door, even uitrusten en opwarmen.
Als ik een poes was zou ik spinnen.

 

 
 
2017

Raadsel – Spinsel 1

Ze is terug, zie ik als ik courgettes en uien snij voor de soep.
Dus is het eind oktober.
Rechtlijnig en doelgericht bouwt ze weer haar web in de linkerhoek van het keukenkozijn.
Ik roer in de pan en kijk toe hoe ze lijnen weeft voor het raam, hoeken construeert tot een imponerend staaltje bouwkunst ontstaat dat stormwind en najaarsbuien glansrijk zal doorstaan.

 

De dagen daarna kijk ik regelmatig toe hoe het bouwwerk stofjes vangt, bladrestjes, ik zie maar weinig levende have.
Kan ze hier van leven?
Soms, als ik aan kom lopen, haast ze zich weg, alsof ze me ontvlucht en zo ontdek ik dat ze een schuilplaats heeft in het ventilatierooster boven het raam.
Slaapt ze daar?

 

De weken gaan voorbij, we raken gewend aan elkaar, ze rent niet meer meteen weg als ik dichterbij kom.
Bijna jammer dat het einde nadert, maar het is onvermijdelijk: straks is het keukenraam zo vettig vuil dat het licht moeite heeft de keuken in te komen.
Ergens in december zet ik het eindspel in gang: ik wacht tot ze even weg is, dan verruïneer ik haar kunstwerk in een walm van spiritus.
Na het zemen glanst het raam en zet de keuken in een leeg licht.
Ik wacht niet tot ze terug komt en ziet dat het D-day is en ik weer heb gewonnen.
Hoewel, winnen?
Ze laat zich gewoon niet meer zien.

 

Tot volgend jaar.
24-10-2022

De eerste rij

We lopen op het bospad, wijken uit voor fietsers, wandelaars, honden.
Schudden het leven op en uit.
Allebei zijn we ‘weduwe’, een wezenloos vervreemdend woord omdat een mens zoveel meer is dan dit ene aspect.

 

‘Vaak zeggen mensen dat hij veel te jong gestorven is, dat dat oneerlijk is en onrechtvaardig. En of ik niet boos ben.’
‘O ja, dat hoor ik ook vaak. En ook: ‘de goeden gaan het eerst.’
‘Raar is dat, want hoezo te vroeg? Hoezo oneerlijk? En als de goeden eerst gaan, wat zijn wij dan? De slechten? En boos, ben jij boos geweest?
‘Hm, nee, in het begin wel eens toen alleen zijn nog nieuw en vaak naar was. Maar dat is verdwenen.’
‘Ja bij mij ook, woede is er niet meer, dat vervaagde toen ik begreep dat er geen antwoorden komen op die vragen: ‘Waarom? Waarom zo? Waarom nu al? Dat gaf ruimte om te kijken naar het leven nu en daar iets van te maken.’

 

Soms fantaseren we hoe onze mannen ‘boven’ samen op een bankje zitten en, net als toen ze nog bij ons waren, commentaar leveren, nu op wat ze  hier ‘beneden’ zien.
‘Ze zitten op dat bankje vooraan in de zaal. Op onze eerste rij, naast al die anderen, die rij wordt steeds langer.’
‘Ja, ze kijken en regelmatig krijgen we applaus, tijden lang horen we niks, soms schudden ze hun hoofd en dan hoor ik ver weg: ‘‘Boehoe, dat kan je beter hoor.’’
Maar ze blijven onze grootste fans.’

 

13-10-2022

Hufterinstructie

  1. Basisvoorschrift: verschans je in je ivoren toren en blijf daar te allen tijde, waar je ook bent.
  2. Oefen een onschuldig voorkomen door drie maal daags tien maal je wenkbrauwen hoog te heffen waarbij je tegelijkertijd je handen spreidt en onaffe zinnen stamelt. Probeer niet met je ogen te knipperen. Sla deze oefening geen dag over want de herhaling is noodzakelijk om een maximaal geloofwaardige uitstraling te realiseren.
  3. Ben je in een omgeving waar veel ogen op je gericht zijn en je kritische vragen worden gesteld, zoals in de Tweede Kamer of aan een talkshowtafel, luister dan minzaam knikkend naar de vragen, complimenteer de vraagstellers omstandig met hun geniale vraag en start vervolgens een lang vaag verhaal met veel onbewijsbare details en niet relevante uitweidingen en lardeer deze te pas en te onpas met sorry’s die je niet toelicht.
  4. Deze aanpak is vooral effectief als je hem keer op keer herhaalt bij elke vraag die wordt gesteld, net zo lang tot de vragen vanzelf verstommen.
Let op: negeer boegeroep en wees alert op rondvliegende eieren, tomaten en pilsjes.

 

3-10-2022

Niets

Het Woord van de Week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen was deze week: Niets. Mijn fantasie sloeg op hol: 

 

Ik schrik wakker en weet zonder te kijken hoe laat het is.
Half vier.
Gapend stommel ik de trap af, trek in de keuken de voorraadkast open, grijp tussen de doosjes thee en zakjes soep.
Niets.
Automatisch pakken mijn handen het Cadburyblik van de kast en zoeken tussen het verzameld zoet.
Niets.
De groente la, de vriezer, misschien is er een zakje of een reep tussen  de rauwkost of onder de broodjes gegleden.
Niets.
Naar de gang. Rugzak, koffer, handtassen. Beschimmelde dropjes en uitgedroogde pepermuntjes.  
Niets.
Jaszakken. Bonnetjes, gebruikt zakdoekje, supermarktmuntje.
Niets.

 

Niets. Nergens.

 

 

20-9-2022

Wolfje, een best wel gruwelijk sprookje

Routineus wierp zijn moeder vier jongen, ze stond alweer op haar poten toen er nog iets volgde.
Walgend keek ze naar het slappe zakje botten, wat was dit voor misbaksel?

 

Haar jongen groeiden voorspoedig, leerden prooien vangen, vijanden vermijden en samen eenstemmig huilen.
Behalve misbaksel Wolfje.
Hij zong vaak en hartverscheurend ‘Erbarme dich’ tot hem de bek werd gesnoerd omdat zijn gezang vijanden naar de roedel leidde.
Eten vangen mislukte meestal, als hij al eens een kip of konijn ving, dan ontsnapten die meteen want Wolfje was banger voor hen dan zij voor hem.
Bovendien belemmerde zijn motoriek hem, hij struikelde meer dan hij rende.
Zijn talent om prachtige pirouettes te draaien bleef helaas onopgemerkt.

 

Dat dit buitenbeentje, twee jaar later bij de geboorte van de volgende lichting jongen, de roedel werd uitgezet, was, in wolfoptiek, onvermijdelijk.
Eenzaam en onhandig zwierf Wolfje rond.
Tot er op een avond, terwijl hij eten zocht in een gft-container, een meisje voor hem stond, in een rode hoodie.
Ze schrokken van elkaar maar renden geen van beiden weg.
Van de bodem van de gft-container diepte ze restjes kipsaté op die ze samen oppeuzelden.
Niet eerder was iemand zo lief voor hem.
Vanaf die dag vergezelde hij haar, naar school, naar het hockeyveld, naar haar zieke oma die afgelegen in een bos woonde.

 

Waarom het, een paar maanden later, bij oma zo gruwelijk uit de hand liep?
Het blijft gissen.
Was het zijn chronische ondervoeding?
Een plots opvlammend oerinstinct?
Of was het zijn onvermogen te leven met de liefde van het meisje?

 

Vast staat dat Wolfje, staande naast oma’s bed, haar vlezige armen zag, verlekkerd  haar geur opsnoof en in een opwelling haar handen greep, likte, afbeet en opvrat.
Dat bleek slechts een amuse.
Hoewel ze wat overrijp smaakte, verslond hij haar vervolgens met huid en haar.

 

Toen hij de deur hoorde, keek hij, voldaan boerend, om.
Het meisje stond verstijfd in de deuropening, kijkend van oma’s lege bed naar zijn druipende kaken.
‘Waarom?’ vroeg ze verbijsterd.

 

Zijn antwoord verklaarde niets en alles tegelijk.
Ze smaakte heerlijk mals.

 

2016
 

Stel dat jij een cake was

Dan was je vast geen blonde sponzige uitvaartcake.
Nee, dan ben je een stevige maagvullende gebruinde lekkernij.
Met als basis een degelijk beslag van boter, eieren, volkorenmeel, rietsuiker, een snufje zout.
Dat je desondanks verre van saai bent, komt door je vulling.
Die is namelijk verrassend onvoorspelbaar: op het oog zie je er hetzelfde uit als je soortgenoten maar bij mijn eerste hap van jou schiet ik al overeind: wat ik proef, past niet bij je degelijke uiterlijk.

 

Langzaam bewegen mijn kaken op en neer, vallen dan stil.
Ik peins over de informatie die mijn smaakpapillen me verschaffen.
Over karakteristieke walnoten, ondeugende hazelnoten, krakende macadamianoten, zachte rozijnen, venijnige aalbessen, zuurzoete bosbessen, vrolijke cranberries of zalvend gewelde duistere pruimen.
Dat alles gelardeerd met vriendelijk dadelzoet dat over gaat in uitdagende abrikozen.

 

Zó jammer dat jij geen cake bent …

 

 

Dit verhaal is geïnspireerd op een schrijfopdracht van lang geleden:
‘If you had to describe your personality as a type of food, what food would you be? Why?
10-4-2016