Gevallen

Buurvrouw Lies is gevallen zei papa onder het eten.
Ik schrok want ik vind buurvrouw Lies lief, ze bewaart haar lege flessen voor mij.
Als ik ze ophaal, mag ik altijd binnenkomen en dan krijg ik een Magnum terwijl zij de flessen verzamelt.
Als mijn Magnum op is, ga ik naar de Jumbo en dan mag ik alle euro’s houden die ik krijg voor de flessen. Allemaal!

 

Ik zei dat ze vanmiddag nog gewoon liep en ze had zo’n mooie blote jurk aan.
‘Toch is ze een gevallen vrouw’ zei papa en toen lachten papa en mama heel raar hard.

 

Inspiratie: het Woord van de week van Schrijven Online deze week (526) was: vallen

 

 
5-10-2024

Opgeruimd

We hebben gewandeld, stokjes verzameld, alle bloemen onderweg aangeraakt, gezwaaid naar de eenden, de stokjesoogst in de sloot gegooid.

Weer thuis verzamelt Louk kaartjes en knuffels en boeken want we gaan boven spelen.

 

Boven gooit hij alle knuffels van zijn bed en installeert zich daar met de favorieten van vandaag om zich heen.
Ik check op mijn kamer even mijn mail.
Het wordt stil, ik hou me ook stil, hoop dat hij een dutje doet, hij zag er moe uit na de wandeling.
Na een minuut of tien hoor ik een zacht stemmetje: ‘oma komen.’
Soms weet ik: dit kan wachten en soms klinkt dat stemmetje zo dat ik meteen opsta.
Zo ook nu.
Zijn bed is leeg, aha, dan is hij ongemerkt in mijn slaapkamer beland.

 

Als ik mijn slaapkamer in kom, tref ik mijn beddengoed op de grond en de restanten van de asparagus verspreid over de vloer.
Naar de dader hoef ik niet te zoeken, die spreidt met een uiterst onschuldig hoofd rustig zijn dierenplaatjes uit over het afgehaalde bed.

Inwendig zucht ik, wat een bende.
Maar roep mezelf dan tot de orde want voor Louk bestaat het begrip bende niet: hij heeft zich gewoon omringd met dingen die hij fijn vindt.
En ik weet: hij speelt het liefst op een afgehaald bed.
En die asparagus, daar is hij al gek op sinds hij twee was.
Trouwens, zeg nou zelf:  misschien riep het dekbed wel: gooi mij op de grond?
En wilde de asparagusplant juist vandaag eens rigoureus gesnoeid worden?
Best aannemelijk toch?

 

Ik heb geen zin om de stofzuiger te pakken en haal het afvalbakje uit de badkamer.
Installeer me op de grond en begin asparagussliertjes te rapen.
Even kijkt Louk toe, besluit dan dat dit ook een leuk spel is, klimt van het bed af en komt bij me zitten.
Zo zitten we een hele tijd op de grond in de zon en verzamelen zorgvuldig al die friemelige sliertjes en gooien ze in de afvalbak.
Ik pak degene waar ik bij kan, Louk speurt de vloer af en grijpt met zijn dunne lenige armen de sliertjes onder de kast en onder het bed uit.

 

Natuurlijk zou stofzuigen efficiënter zijn en sneller gaan.
Maar dit is gezelliger.
Als Louk er is, verdwijnen tijd en haast, is er alleen nu.
Daar kan geen goeroe tegenop.

 

29-9-2024

Zelf doen

Hij wankelt voor de wastafel maar wil geen stoel.
Met langzame geroutineerde halen zeept hij zich in.
Ze zeemt de douche, ruimt handdoeken op.
Hij scheert zich zoals hij dat zijn hele leven deed.
Als ze klaar is met redderen en even naast hem staat, ziet ze het: zijn ogen zijn gesloten.
Zijn bevende handen bewegen het scheermes over het schuim maar raken het amper.
Ze weifelt, zegt niets, wendt zich af.
Weet: hij wil dit zelf doen.
Hem waakzaam volgend vanuit haar ooghoeken, vult ze de wasmachine.

 

Als hij klaar is, schuifelt hij, zwaar leunend op haar, terug naar bed.
Zit daar even hijgend tot ze hem zacht achterover duwt, zijn hoofd op het kussen legt en zijn benen zoals hij het graag heeft.
Hij trilt uitgeput.
Ze dekt hem toe.
Gaat naast hem zitten en pakt zijn hand.
Lang zitten ze zo.
Zwijgend.
Taal heeft hier geen woorden voor.

 

18-9-2024

Bagatel

Na afloop wandel ik opgelucht naar huis.
Het miezert maar de lucht is tintelfris, de nacht heeft de broeihitte verzwolgen.
Boomtakken, topzwaar van de laatste plensbuien, buigen diep naar de grond.
Donkergroen zijn ze maar ik zie nog geen spoor van de naderende herfst.

 

Mannen op imposante maaimachines snoeien perken en bermen.
De geur van vers gemaaid gras kringelt mijn neus in.
Op een bruggetje sta ik stil, adem diep in, mijn handen op de brugleuning.
Kijk rond, zie een meeuw op de leuning van de brug aan de overkant van de sloot.
Secondenlang bekijken we elkaar.
Blij fluister ik: weet je, die wortelkanaalbehandeling, die hoeft gelukkig niet.
Onbewogen staart hij me aan.
Strekt zich.
Vliegt statig weg.

 

Hij heeft gelijk.

 

12-9-2024

Soms in september

vlecht ik je met zachte vingers door
mijn dagen, weef je in mijn wereld
dansen we een langzame wals
deinend op ons voorbije samen

 

Met de jaren zijn scherpe randen
vervaagd, littekens geheeld en als lichte
strepen verweven met mijn rimpels
het dessin van de tijd op mijn huid

 

Soms in september diep ik ons weer
op, we ruiken de bloeiende lavendel
bewonderen de wolken, gedenken Jonathan
voelen ons verwant in een onbezwaard gemoed

 

Even

 

 

3-9-2024

Tijd CorAaltjes

Onze oogst van vorige maand is verzwolgen door het world wide web.
Dat overkomt digibete dichters nogal eens.
Maar niet getreurd, gisteren gingen we gewoon verder: we kozen vijf willekeurige woorden uit: ‘Als het zaterdag wordt’ van Nicci French:
Dichtbij, haar, horloge, iedereen, liedje

 

Zo verwerkte Aaltje deze woorden:

 

Tijd

 

Steeds naderbij komt het zich vrijmaken
van klokken en horloges. Tijd gaat zijn gang.

 

Bang is ze niet langer. Nog klinkt haar liedje
van verlangen na het geslagen uur.

 

Iedereen verstaat het. Hoor! Dichtbij vlamt
vuur tot gloed. De klok sloeg twaalf.

 

Ze heeft zich vrijgemaakt. De laatste slag
bronst luid het galmgat uit. Tijd om te gaan.

 

En dit deed ik met die woorden:

 

Tijd

 

Iedereen zong hetzelfde liedje van niet
omzien dat maakt je maar verdrietig en
gewoon doorgaan dat zou ze gewild hebben
alsof ze haar beter kenden dan ik deed.

 

Roestig en stoffig, verborgen tussen vergeelde
foto’s, vind ik haar horloge, de wijzers verstijfd
in de tijd van toen. Ik houd het dichtbij mijn
hart, voel haar smalle gebruinde pols en
hou mijn adem in. Even beven de wijzers
hervatten dan hun loop als vanouds. De tijd
tussen toen en vandaag verdwijnt.

 

27-8-2024

Opruimen

Jas ophangen tas tussen mijn voeten plankje uitklappen cappuccino to go erop roeren.
Leesbril smartphone oortjes.
Cohen, Yentl en de Boer, Karunesh.
Poëzie podcast.
Slokje koffie nu.nl dropje.
Wegdromen op ‘moving on.’
In stilte luidkeels meegalmen met ‘ik heb een man gekend.’
Slokje kaasbroodje slokje.
Boeiend gesprek achter me afluisteren binnenpretje smartphone notities openen steekwoorden noteren.

 

Amsterdam al leegloop spullen pakken verplaatsen naar een plek uit de zon.
Weer installeren mail fb insta reisplanner checken.
Zo mooi die wolken boven de weilanden koffie op.
Lezen luisteren doezelen.
Opschrikken ik ben er al.
Spullen verzamelen rugzak schoudertas.
Opstaan voor laten gaan knikje hier glimlach daar vriendelijkheid alom vandaag.
Koffiebeker broodzakje tissue afvalbakje overvol.
Meenemen?

 

Maar nee, dat hoeft niet van de NS las ik daarnet op het informatiebord in de coupé:
‘uit onderzoek onder 1000 reizigers blijkt dat mensen die hun afval opruimen zich minder snel vervelen.’
Maar ik verveel me nooit onderweg, geen seconde.
Dus ik kan het laten liggen?

 

25-8-2024

Huis en hart

Voor Nieske

Jaarlijks zien we elkaar bij de retraite eind maart op Terschelling.
Waar de buitenwereld op afstand raakt en onze aandacht naar binnen gaat.
In stilte, in bewegen, in mediteren, in schrijven, in tekenen.
Aan het strand, in de duinen en het bos, in de ronde zaal.
Tussen de retraite onderdelen door leren wij elkaar elk jaar een beetje beter kennen.
Lopend, fietsend en bij cappuccino’s met cranberrycake bij Kaap Hoorn.
Als vanzelf vertel ik steeds meer, vertelt zij steeds meer.
Op een keer vertelt ze over haar project ‘Huis.’

 

Hoe zij en haar toenmalige partner op hun zoektocht naar een huis op een dag voor een historisch monument staan in het Friese Tjalleberd.
En meteen weten: dit is het!
Ze verdiepen zich in de regelgeving die nou eenmaal hoort bij de koop, renovatie en het onderhoud van een monument.
Dan begint het laveren tussen regels, vergunningen en voorschriften.
Soebatten, onderhandelen, overleggen en plannen met aannemers, ambtenaren, leveranciers en buren.
Samen zoeken en vinden van geitenpaadjes voor schijnbaar onoplosbare problemen.
Ze wisten niet waar ze aan begonnen maar het resultaat is adembenemend: onder hun bezielende leiding verrijst een prachtig pand.

 

Ze vertelt het losjes, luchtig, je zou kunnen denken dat het een makkie was.
Maar tussen de zinnen door groeit mijn respect.
Niet in het minst omdat ik zelf behept ben met twee linkerhanden, een totaal gebrek aan ruimtelijk inzicht en een grondige hekel aan klussen.
Ongelooflijk, wat een immens project en wat een doorzettingsvermogen, inzicht, inventiviteit en creativiteit!

 

Maanden later, Terschelling ligt ver achter ons, vraagt ze me op een zondagmiddag: wil je de foto’s zien?
En dan krijg ik twee foto albums in mijn handen..
Langzaam blader ik, en zie met eigen ogen hoe zwaar het was, hoe ingewikkeld.
Maar vooral ook: hoe mooi.
Ik kijk, vraag, kijk, vraag, luister.

 

Weer thuis blijven de beelden van dat uurtje op die zondagmiddag helder en scherp op mijn netvlies.
Wat raakt me zo?
Ik kende het verhaal toch al?

 

Ik peins tot ik het begin te begrijpen: die middag proefde ik de passie van het project ‘Huis.’
Haar woorden, haar enthousiaste stem, haar bezielde blik en haar levendige gebaren smolten samen met de foto’s.
Ik zag en voelde passie.
En toen pas begreep ik waarom verhuizen, weggaan van die plek, zo ingrijpend was voor haar: het was een los scheuren van een met eigen handen en met hart en ziel gebouwde plek.
Die voortaan voortleeft in die foto albums.

 

Misschien gaat de vergelijking mank maar toch: ik denk aan het handjevol verhalen en gedichten waarbij ik, zelfs als ik ze jaren later herlees, weer een brok in mijn keel krijg.
Omdat ze met mijn hart en ziel geschreven zijn.
Met passie.

 

15-8-2024

Huiswerk

Iets vreemds maakt me wakker: rust.
Onwennig signaleren mijn oren een zingende vogel, een windvlaag doet een boom ruisen.
Ver weg rijdt een auto.
Wat heb ik dit gemist.
Genietend rek ik me uit, adem diep in, uit.

 

Krimp in elkaar als een man in een lichtblauw uniform langs mijn slaapkamerraam loopt.
Onder zijn zware stappen kraakt en knerst de metalen stelling.
Hij roept naar een collega beneden in de tuin.
Die schreeuwt iets terug.
Luid gelach klinkt.

 

Hij begint.
Hamert op de buitenmuur, beklopt de kozijnen.
Zijn collega beneden valt bij.
Chemische geuren.
Boren krijsen, schuurmachines snerpen, zuigers brommen.
Uren.  

 

Wanhopig probeer ik de rust van daarstraks te visualiseren.
Muziek in mijn oren.
Het komt er doorheen.
Oordoppen.
Het komt er doorheen.
Wegwezen.

 

15-8-2024

Een korte versie van dit verhaal werd op 23-8-2024 gekozen door de Facebook pagina Ultrakorte Verhalen als een van de vijf leukste ultrakorte verhalen van de afgelopen week

Bellen

Brené Brown: ‘kwetsbaarheid begint met moed’

 

 
De eerste weken na het ongeluk zijn vol van een onvoorspelbare mix van operaties, pijn en verbijstering.
De kinderen helpen waar ze kunnen.
Ze vragen: ‘Mam, wie zullen we informeren hierover?’
Ik wuif die vraag weg: later, als deze rollercoaster achter de rug is, zal ik zelf ‘mijn’ mensen bellen.

 

Na drie maanden ziekenhuis en revalidatiecentrum ben ik terug in mijn eigen huis.
Weliswaar voorzien van hulpmiddelen en ondersteund door naasten, zorgverleners en thuishulp, maar toch: het is heerlijk om weer thuis te zijn.
Stapje voor stapje herover ik mijn zo gekoesterde zelfstandigheid en pak, waar mogelijk, mijn oude leven weer op.

 

Op een ochtend, als de thuiszorg is vertrokken, installeer ik me met thee in mijn rolstoel en bel Anna, een ver familielid.
‘Dat is lang geleden’ zegt ze, ‘wat fijn om je te horen.’
Ze vertelt honderduit over wat er allemaal gaande is in haar gezin.

 

Na een paar minuten vraagt ze hoe het mij gaat.
Ik vertel over het ongeluk, over mijn ziekenhuiservaringen en revalidatieperikelen.
Hoe fijn het is om weer thuis te zijn.
Ze schrikt: ‘Wat? Een ongeluk? Dat wist ik niet. Waarom heb je niet gebeld?’
Omdat ik al mijn energie nodig had voor mijn herstel, leg ik uit.
‘Ja maar je had toch wel even kunnen bellen?’
Ik vertel dat mijn wereld drie maanden noodgedwongen erg klein was en dat ik nu pas en slechts mondjesmaat, ruimte en energie heb om oude contacten weer aan te halen.
Ik hoor zelf hoe verdedigend ik klink.
‘O’ zegt ze koeltjes, ‘en gaat het nu pas beter?’
Dat klopt inderdaad.
Ze dringt aan: ‘Toch vind ik het …’
Haar stem zakt weg, haar onbegrip vult de stilte.
Dan zegt ze kordaat: ‘Ik ga Mark hierover bellen hoor, als jij het niet wou, had hij me toch kunnen bellen?’
Ik vraag haar dat niet te doen, het was mijn besluit om het zo te doen: zelf en op mijn tijd. Mijn kinderen hier op aanspreken is onnodig en onterecht.
‘Tja. Toch had ik het eerder willen weten.’

 

Over koetjes en kalfjes praten lukt niet goed meer.
We beëindigen het gesprek.

 

Trillend leg ik de telefoon op tafel.
Een intense vermoeidheid overvalt me.
Ik heb haar te vroeg gebeld.

 

10-8-2024
PS: dit verhaal wortelt in de werkelijkheid, maar niet die van mij. Ik ben niet de ‘ik’ in het verhaal.